TERUG NAAR LIJST
.

Andere achtergronden

Straling bij radiotherapie

Achtergronden

Voor uitwendige radiotherapie worden drie soorten straling gebruikt, namelijk harde röntgenstraling, elektronenstraling en gammastraling. De meest gebruikte soort is harde röntgenstraling, ook wel fotonenstraling genoemd. Fotonenstraling wordt in een lineaire versneller opgewekt. Dit gebeurt op dezelfde wijze als gewone röntgenstraling uit een röntgenbuis. Het enige verschil is dat de energie van de fotonenstraling, opgewekt in een lineaire versneller, ongeveer honderd keer groter is dan de röntgenstraling uit een röntgenbuis.

Een lineaire versneller kan ook elektronenstraling genereren. Deze vorm van straling heeft een veel kleinere doordringend vermogen dan de harde röntgenstraling en wordt om die reden gebruikt voor het bestralen van oppervlakkig gelegen tumoren. Veel minder vaak wordt er gebruik gemaakt van gammastraling uitgezonden door een kobaltapparaat. Hierin bevindt zich een sterk radioactieve kobaltbron die uit het loden omhulsel wordt geschoven op het moment dat de bestraling moet beginnen en aan het einde van de bestralingssessie weer terug geschoven wordt.

Bij al deze soorten straling is het belangrijk om te weten dat de patiënt hier helemaal niets van voelt en dat de straling na de sessie weer ophoudt. De patiënten worden dus niet radioactief en vormen geen gevaar voor de omgeving.