TERUG NAAR LIJST
.

Andere achtergronden

fixatiematerialen

Achtergronden

Binnen de radiotherapie worden diverse fixatiematerialen gebruikt om een bepaald lichaamsdeel tijdens de bestraling te kunnen fixeren. Doordat bewegen van het gefixeerd gebied tijdens de bestraling tot een minimuun wordt beperkt, kan er zeer nauwkeurig bestraald worden. Dit onderdeel beschrijft de toepassing en vormen van maskers die het hoofd fixeren.

Hulpstukken die bijdragen aan een nauwkeurige bestraling zoals het masker, worden in een mouldroom gemaakt. De tekening van het bestralingsgebied kan op het masker worden aangebracht en hoeft dan niet op het gelaat te worden gemaakt. Ook geeft het masker steun bij het stilliggen tijdens de bestralingen. De ademhaling van de patiënt wordt niet gehinderd, want mond en neus blijven vrij. 

Bij bestralingen van tumoren in het hoofd/hals gebied, is het noodzakelijk om een masker te maken. Op de afdeling radiotherapie kunnen twee soorten maskers gemaakt worden. 

Het ORFIT-marker
Het meest gebruikte masker is het zogenaamde ORFIT-masker. ORFIT is een soort materiaal dat in aanraking met warm water erg flexibel wordt en daarmee gemakkelijk naar ieders gezicht gevormd kan worden. De patiënt komt op een tafel te liggen waarbij de lighouding in overleg met de radiotherapeut bepaald wordt. Vervolgens legt de moulagetechnicus een ORFIT-plaat in een bak met warm water zodat de ORFIT-plaat flexibel wordt. Als de ORFIT-plaat zijn maximale flexibiliteit bereikt heeft, wordt hij uit het water gehaald en over het gezicht van de patiënt getrokken waarbij de mond en de neus open blijven. Hierbij zorgt de moulagetechnicus ervoor dat de ORFIT-plaat precies de vorm van het gezicht van de patiënt krijgt. Hij houdt de ORFIT-plaat net zo lang op het gezicht van de patiënt vast zodat hij voldoende afgekoeld is en zijn verkregen vorm behoudt. Als dit gebeurd is, is de patiënt klaar.

Het PTEG-masker
Het tweede soort masker is het zogenaamde PETG-masker. Het PETG materiaal waarvan het masker gemaakt wordt is te vergelijken met perspex. Omdat de PETG platen erg hard en niet flexibel zijn, is het nodig dat er eerst een gipsmasker gemaakt wordt. Zoals bij het maken van een ORFIT-masker wordt ook hierbij allereerst de lighouding van de patiënt in overleg met de radiotherapeut bepaald. Om ervoor te zorgen dat het gips niet aan het gezicht van de patiënt plakt, wordt het gezicht ingesmeerd met gezichtscrème. Vervolgens wordt over het hoofdhaar, het voorhoofd, de ogen en de neus een stukje huishoudfolie gelegd. Hierna legt de moulagetechnicus de gipsstroken over het gezicht van de patiënt, waarbij de mond en de neus vrij blijven, tot het hele gezicht en/of de hals bedekt is. Het gipsmasker heeft een paar minuten nodig om hard te worden. Als het gips hard is geworden en zijn vorm behoudt, wordt hij van het gezicht van de patiënt gehaald. Vervolgens mag de patiënt van de tafel en mag hij/zij zijn/haar gezicht schoonmaken. De patiënt is nu klaar en mag weg. Om het uiteindelijke PETG-masker te kunnen maken, wordt het verkregen gipsmasker volgegoten met hard gips. Op deze manier krijgt men een gipsen beeld van het gezicht van de patiënt. Het gipsen beeld wordt, als deze hard is geworden, gladgeschuurd om alle oneffenheden van het gips te verwijderen. Hierna worden het gipsen beeld en een PETG plaat in een zogenaamde dieptrekmachine vastgezet. Het gipsen beeld wordt door de dieptrekmachine in de PETG plaat gedrukt, totdat deze dezelfde vorm krijgt als het gipsen beeld. Als men vervolgens het gipsen beeld uit de PETG plaat haalt en de restanten van de plaat eraf haalt, blijft er een PETG masker van de patiënt over. Het masker moet nog een aantal bewerkingen ondergaan voordat de patiënt terug moet komen om het masker te passen. Bij het passen van het masker worden zijflappen aan het masker vastgezet, die vervolgens aan de tafel bevestigd kunnen worden.