TERUG NAAR LIJST
.

Andere achtergronden

Nucleaire Geneeskunde Algemeen

Achtergronden

Nucleaire diagnostiek
Om een beeld (scintigram) te krijgen van ligging, grootte en functie van organen en lichaamsdelen wordt bij de nucleaire diagnostiek een kleine hoeveelheid van een radioactieve verbinding in het lichaam van de patiënt gebracht. De toediening van alle radioactieve stoffen vindt plaats op de afdeling nucleaire geneeskunde.

Er worden verschillende radioactieve stoffen gebruikt, afhankelijk van het orgaan waarvan men een scintigram wil maken. De radioactieve deeltjes worden ingebouwd in een chemische verbinding, dit is noodzakelijk om de radioactieve stof op de juiste plaats in het lichaam te krijgen. Deze verbinding wordt radiofarmacon genoemd. Soms gaat het om een verbinding met een stof die normaal ook in het lichaam van de patiënt voorkomt. De patiënt krijgt dit radiofarmacon meestal toegediend via een injectie en soms langs een andere weg (bijv. in tabletvorm). Het radiofarmacon neemt deel aan de lichaamsprocessen. Afhankelijk van de gebruikte stof, hoopt deze zich op in een bepaald orgaan en/ of afwijking.
Het radiofarmacon verlaat binnen enkel uren tot enkele dagen het lichaam via een natuurlijke weg.  

Met de juiste apparatuur (een gammacamera of PET scanner) kan men een afbeelding maken van de   radioactiviteit in het lichaam. Zo'n opname wordt een scintigram genoemd. Vroeger werd de naam scan gebruikt. De scintigrammen geven informatie over de ligging, de grootte en het functioneren van de te onderzoeken organen. Afwijkingen nemen de radioactieve stof wel, of juist niet op.




Nucleaire Therapie

Naast nucleaire diagnostiek kan men radioactieve stoffen ook gebruiken om afwijkingen te behandelen. Bij deze vorm van therapie wordt, net als bij nucleaire diagnostiek, een radioactieve stof in het lichaam gebracht. De stof kan via een injectie in een bloedvat, of in tabletvorm via de mond toegediend worden. De toegediende radioactiviteit is van een andere soort dan bij het diagnostisch onderzoek. Het is namelijk de bedoeling dat de cellen van het zieke weefsel door stralingsschade afsterven, terwijl er bij de diagnostiek gestreefd wordt naar zo min mogelijke schade.

Een vorm van een therapeutische behandeling met een radioactieve stof is de poliklinische behandeling met jodium-131 van de te snel werkende schildklier. De patiënt krijgt het radioactieve jodium via een pil toegediend. Dit radioactieve jodium hoopt zich op in de schildklier, zodat deze bestraald wordt. Na de toediening is de patiënt zelf een bron van straling geworden en blijft hierna nog enige tijd radioactief.
De behandelde patiënt krijgt voor enige tijd enkele leefregels mee, maar kan weer naar huis terug.