TERUG NAAR LIJST
.

Andere achtergronden

Contrastmiddelen

Achtergronden

De computer die aan de CT is verbonden, of het röntgenapparaat,  maakt zijn plaatjes op basis van de verschillende dichtheden van uw organen. Het bot heeft bijvoorbeeld een hogere dichtheid dan spieren. Afhankelijk van de instelling zal dit dan ook veel lichter of donkerder worden weergegeven op het plaatje.

Soms liggen de dichtheden van twee weefsels te dicht bij elkaar en wil de arts toch een duidelijk onderscheid maken. Als voorbeeld kunnen we spieren en bloedvaten nemen. De dichtheden van deze twee weefsels liggen dicht bij elkaar, en dus zullen ze op het plaatje moeilijk uit elkaar te houden zijn. De arts wil toch alleen uw bloedvaten zien. Hier is dan ook wat op gevonden. Voor of tijdens het onderzoek krijgt u een contrastmiddel toegediend. Afhankelijk van het soort onderzoek kan dit op verschillende manieren toegediend worden (bijvoorbeeld door het te drinken of door middel van een infuus of injectie).

Jodiumhoudende contrastmiddelen 
Contrastmiddelen zijn vaak vloeistoffen op basis van jodium. Dit jodium heeft een hoog atoomnummer en dus ook een hoge dichtheid. Als we dit nou tijdens het onderzoek door een infuus in het bloedvatenstelsel laten lopen, krijgt het bloed door het jodium tijdelijk een hogere dichtheid. Dit betekend dat het (door het verschil in dichtheid) goed te onderscheiden is van omringende weefsels zoals spieren. Op deze manier is 
er een beter contrast ontstaan. Door een jodiumhoudend contrastmiddel dat via een injectie of infuus 
toegediend wordt kan u soms een beetje warm gevoel krijgen. Dit neemt meestal na 1 of 2 minuten weer af. Het lichaam zorgt zelf voor filtering van het contrastmiddel uit het bloed. De dichtheden van stoffen en weefsels veroorzaken het contrast oftewel het verschil in zwartingstinten op een foto. Nu maken we in de radiologie het onderscheid tussen positieve en negatieve middelen om dat contrast te bereiken. Positieve contrastmiddelen zijn de stoffen met een hoog atoomnummer en vaak ook grote dichtheid. Voorbeelden hiervan zijn barium en jodium. Negatieve contrastmiddelen hebben dus het omgekeerde: laag 
atoomnummer en lage dichtheid.
Voorbeelden hiervan zijn lucht, zuurstof en kooldioxide. Het lichaam heeft van nature al veel van deze negatieve contrastmiddelen in zich. Dit kan afhankelijk van wat er gezien moet 
worden voordelig of juist nadelig zijn.

Bariumhoudende contrastmiddelen
Naast contrastmiddelen op jodiumbasis (die vaak bij MRI en CT onderzoeken gebruikt worden) wordt op de radiologie afdeling ook gebruik gemaakt van barium als contrastmiddel. Hier moet u voornamelijk denken aan de onderzoeken van het maagdarmkanaal zoals dikke of dunne darm en de slokdarm. Barium heeft net als jodium een hoog atoomnummer en een hoge dichtheid. Het barium wordt vaak gebruikt in de vorm van suspensies. Dit is een pap-achtige oplossing van het barium in water of een andere vloeistof.

Voorbeeld contrastmiddelgebruik
Als voorbeeld nemen we het onderzoek van de maag. Bij dit onderzoek gebruiken we eerst een negatief contrastmiddel. U krijgt dan een lepel vol korreltjes die u snel moet inslikken. Zodra deze korrels in aanraking komen met vloeistof in de maag komt en een heleboel koolzuur vrij. Dit koolzuur contrasteert met de omgeving (bijvoorbeeld de maagwand) door de lage dichtheid van het koolzuur. Zo kunnen we dus mooi de maagholte bekijken, maar nog niet goed de maagwand. Hiervoor krijgt u vervolgens een bariumhoudende vloeistof (een positief contrastmiddel) te drinken die tijdelijk aan de maagwand kleeft. Nu kunnen we de maagholte bekijken en tevens onregelmatigheden in de maagwand opsporen. Door gebruik te maken van (soms twee verschillende) contrastmiddelen kunnen we dus alle contouren en holten van het maagdarmkanaal met een hoog contrast (onderscheidend vermogen) afbeelden.